Pagina's

                                                           Welkom op de blog van
                         

   Vrijgevestigde Eerstelijns geestelijke verzorging                                        - 
        Rouw en verliesbegeleider en levenscoach

                    
                                                          
                                   Professionele ondersteuning aan bedrijven en particulieren bij             

                                       levensgebieden als zingeving, rouw en verlies, studie 

                                                        en personalcoaching 



                                                         www.dehelix.nl


                                                         info@dehelix.nl

                                                           06-51550445 


Adres: 

Lisbloemstraat 21
2161 HR Lisse







                                                                           'De Levensfasen' - Caspar David Friedrich

De vos en het goed afscheid nemen.

Vandaag kreeg ik tijdens een gesprek met een hulpvrager een tasje met kaarten. Op een van de kaarten was een vos in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) afgebeeld. Bij het zien van de kaart moest ik direct aan een bericht dat ik vorige week op Facebook las denken. Het verhaal ging over de manier waarop een vos zich van zijn lastige vlooien ontdoet.

Omdat we in het gesprek het onder meer over het loslaten van pijnlijke ervaringen hadden leek mij goed om het verhaal met de hulpvrager te delen.

Het gaat als volgt:

Als een vos veel last van vlooien heeft trekt hij eerst met zijn tanden een pluk haren uit zijn vacht. Vervolgens laat hij de haarpluk vóór in zijn bek tussen zijn tanden zitten. Daarna loopt hij erg langzaam en steeds dieper het water in. Omdat vlooien een hekel aan water hebben zullen ze in de vacht omhoog trekken. Uiteindelijk zullen ze het haarplukje in de bek van de vos als toevlucht nemen.  Het laatste wat een vos dan nog maar hoeft te doen is het loslaten en laten wegdrijven van de haarpluk.

Vaak zonder dat we er ons bewust van zijn, kunnen oude ervaringen het nieuwe afscheid beïnvloeden. En de wijze waarop we andere helpen om afscheid te nemen. Mogelijkerwijs vinden we het lastig om ruimte te geven aan de emoties of gaan we het afscheid nemen uit de weg, door er niet over te praten, te doen alsof het niet belangrijk is, of voor vervanging te zorgen. 

Het is pas mogelijk om te rouwen als er echt goed afscheid is genomen.

D. van Geelen-Merks, J. van Wielink en P. van Vliet, Met zoveel liefde heb ik van je gehouden: Woorden bij persoonlijk verlies (Tielt: Witsand, 2016), p. 64.

Volgens een oude bron, J. F. Campbell, Popular Tales of the West Highlands, Volume 1 (Londen: Alexander Gardner, 1890), p. 276, berust het verhaal van de vos en de vlooien op ware feiten. 

http://www.pitt.edu/~dash/type0063.html

Foto: taramgarwoodstopmotion.blogspot.com
 

Foto: 

Samen op het vinkentouw, geeft verbondenheid, ook aan jouw.
Willen zingen, willen schreeuwen, want wij zijn met zo velen.
Vertrouwen zoeken wie dat kan.
Ook al ben je vrouw of man.

Samen dingen ondernemen, afstand zoeken van een moeilijk verleden.
Er zijn ook mensen, die je goedheid willen wensen.
Het geeft weer moed,
Als je genegenheid ontmoet.

Warmte en een vriendelijk woord zonder met een oordeel worden verstoord.
Dat je mag zijn die je bent.
Je gesprekken worden erkent.

Weer wat kunnen leven met hoop,
In ons gezamenlijke levensloop.
Er wat vriendschap mag blijven met wie wij onze weg langsglijden.



Jozefien (hulpvrager bij De Helix)
Rouw- en verlieswandeling in natuurgebied 'De Ruigenhoek' te Noorwijkerhout
Zaterdag 16 april 2016
Aanvang 10 uur
De natuur leeft ons voor "dat elk einde altijd een nieuw begin inhoudt"
Maandelijkse wandelingen georganiseerd door:
De Helix, Praktijk voor levenscoaching te Lisse en Café Restaurant ‘De Ruigenhoek’ te Noordwijkerhout
Locatie: ‘De Ruigenhoek’, aan de zuidrand van de Amsterdamse Waterleidingduinen
Lengte van de wandeling is ongeveer 1,5 uur

Kijk voor meer informatie en opgave op de website www.dehelix.nl
Programma
• we ontmoeten elkaar om 9.45 uur op de parkeerplaats voor
Café Restaurant ‘De Ruigenhoek’
• we maken kort even kennis met elkaar
• de aanvang is om klokslag 10 uur
• al wandelend staan we stil bij omgaan met verlies of gemis
• u krijgt kleine oefeningen mee voor onderweg
Deelname is 10 Euro per persoon (te betalen bij de aanvang).
Voor we weer naar huis gaan is er voldoende gelegenheid om met een kop koffie, thee of een glas frisdrank (in de prijs is 1 consumptie inbegrepen) na te praten over deze wandeling.
Start bij Café Restaurant 'De Ruigenhoek', Herenweg 444, 2211 VJ Noordwijkerhout
Aanmelden door te e-mailen naar info@dehelix.nl of te bellen/sms’en naar 06-51550445
Komt u met OV? Dichtstbijzijnde bushalte is 'Ruigenhoek' in Noordwijkerhout, op de lijnen 90 (Lisse - Den Haag) en 57 (Nieuw-Vennep - Leiden).


Hoofdstukken uit mijn eindscriptie voor de opleiding tot theoloog aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Het is mogelijk om een lezing te krijgen over het gebruik van de zweetdoek in de nieuw-testamentische en patristische periode. 

Ook over hoe in de huidige tijd door verschillende pastores en evangelisten in Noord-Amerika en Noord-West Europa de zweetdoek wordt gebruikt.

Pieter J. den Dekker MA

 

2. Het gebruik van de zweetdoek in Handelingen 19 vers 12


2.1 Datering en context


Het bijbelvers Handelingen 19 vers 12 beschrijft een gebeurtenis in de stad Efeze, in Klein-Azië (huidige Turkse westkust), tijdens Paulus' derde zendingsreis, omstreeks het jaar 53 na Christus. De stad Efeze is aan het begin van onze jaartelling een handelsstad met een uitvoerhaven van de bekende Zijderoute. De door de apostel Paulus gedragen zweetdoeken en werkkleren worden naar zieken gebracht en de zieken ontvangen door de doeken genezing en bevrijding van boze geesten. 
Het boek Handelingen is een vervolg op het evangelie van Lucas. De auteur Lucas vertelt in het boek de belevenissen van de christenen na de Hemelvaart van Jezus Christus. Een groot gedeelte van het boek gaat over de zendingsreizen van de apostel Paulus. Lucas, een arts, was een medereiziger van Paulus en heeft voor een Romeinse burger met de naam Theofilus (Hand. 1, 1) alle gebeurtenissen opgetekend. Het is opmerkelijk dat het reisverslag ten dele in de zij-vorm en ten dele in de wij-vorm is geschreven. Daarmee geeft Lucas zonder zich bij name te noemen aan dat hij zich later bij het gezelschap van Paulus heeft gevoegd. Het is absoluut niet bijkomstig maar in overeenstemming met het universele zendingsbevel, dat het boek in Jeruzalem begint en in Rome eindigt. Daarmee wil de schrijver niet zeggen dat de volken nu in de heilsgeschiedenis van God de plaatsvervangers van Israël zijn, maar dat het heil voor heel de wereld is, voor Israël en de volken. Lucas zou om die reden niets over de uitkomst van het proces tegen Paulus vertellen. Zo staat in het boek niet de apostel Paulus in het centrum van de belangstelling, maar de weg van het evangelie van Jeruzalem naar Rome.76   

De tekst Handelingen 19, 12 maakt deel uit van een door de auteur Lucas samengestelde compositie van drie kernpunten (vs. 11-12; 13-16; 17-19)77, waarin Lucas vertelt over Paulus' confrontatie met de syncretistische wereld van de magie, een confrontatie tijdens zijn verblijf in Efeze gedurende zijn derde zendingsreis. Paulus' eerste bezoek aan de stad Efeze vindt plaats aan het eind van zijn tweede zendingsreis. Hij is dan op doorreis naar Jeruzalem en verblijft er dan ook maar zeer kort. In afwachting verder te reizen gaat hij naar de synagoge van Efeze om daar de Joden te spreken. Het onderwijs van Paulus bevalt blijkbaar erg goed.
De Joden vragen hem om langer te blijven.  Maar Paulus wijst het verzoek af en geeft aan dat hij, als God het wil, tijdens een volgende reis een bezoek zal brengen (Hand. 18, 20 – 22). 
Aan het begin van hoofdstuk 19, in de verzen 1-10, is te lezen over Paulus' ontmoeting met een groep van ongeveer twaalf discipelen, die zich indertijd op de prediking van Johannes de Doper bekeerd hadden (vs. 3) en die na de doop in de naam van Jezus de gave van de Heilige Geest ontvangen (1-7). In vers 8 wordt Paulus’ vaste zendingsstrategie zichtbaar, namelijk om de synagoge als eerste adres te benaderen voor de verkondiging van de boodschap van het Evangelie (Rom. 1, 16). In vers 9 vertelt Lucas over de breuk met zich verhardende en ongehoorzame Joden en over het verder verkondigen van de boodschap in een gehoorzaal[1], en in vers 10 vertelt hij dat de boodschap van Paulus alle inwoners van de Romeinse provincie Asia bereikt. 

Vs. 11-12 schetsen voorafgaand aan de confrontatie met de magie in de stad Efeze, de 
Dynameis,  de krachten van God als wonderwerken zelf (vgl. Hand. 5, 12). Werken die volgens de grondtekst 'ou tas tychousas' zijn, buitengewone wonderen die nog niet eerder hadden plaatsvonden.[2] Voor Lucas zijn het wonderen die net als de 'gewone' genezingen manifestaties van goddelijke kracht zijn en die met de prediking van het evangelie gepaard gaan (vgl. Hand. 4, 30) en uit geloof in God en niet uit geloof in Paulus voortkomen.[3] Voor Lucas zijn de genezingen door de zweetdoeken alleen het bewijs van Gods almacht. 
  
Vs. 13 -16 vertellen over de confrontatie met de magie in de stad Efeze, verpersoonlijkt door  de zeven zonen van Skevas, Joodse exorcisten[4] die bij hun praktijken de naam van 
Jezus als een toverformule misbruiken.[5] Vanwege het ontbreken van een geloofs-
relatie tussen deze exorcisten en Jezus hebben de demonen voor de door de exorcisten uitgesproken formules geen ontzag. De demonen vallen de exorcisten zelfs aan en doen de exorcisten op de vlucht slaan. Een groot verschil met de dynameis van God die genezingen voortbrengen (vgl. Hand. 19, 11 en 12, p. 37).

Vs. 17 schetst een lofprijzing van de naam van de Kyrios[6] Jezus Christus door al de Joodse  en Griekse inwoners van Efeze. Daarbij is er net als in Handelingen 2, 43-47 en 5, 11-
13 een samengaan van ontzag en lofprijzing. De mensen zijn gaan zien dat achter de  kracht van het woord van God of van de naam van God bijzondere dimensies schuilgaan.[7] Ze worden door de kracht van Gods Geest overtuigt van hun zonde, gerechtigheid en oordeel. 

Vs. 18-19 verhalen dat in de gemeente velen tot geloof komen. Waarschijnlijk bevinden zich  in die groep bekeerlingen die over hun praktijken[8][9] een schuldbelijdenis afleggen (vs. 18). Efeze stond in de klassieke oudheid bekend als een stad waarin veel magische praktijken plaatsvonden. Zo was er in de stad een tempel van de Griekse godin Artemis, de tweelingzus van de god Apollo, gebouwd op de resten van het oorspronkelijke heiligdom van Cybele, de vruchtbaarheidsgodin van de inheemse volkeren, aan de voet van de huidige Ayasulukheuvel. Een heiligdom dat in het midden van de zesde eeuw voor Christus werd gebouwd. 
Ook was de stad bekend om haar 'Ephesia grammata', de zogenaamde 'Efezische  brieven', brieven met zes magische termen met woorden van kracht om daarmee  bijvoorbeeld demonische machten af te weren. Ze werden soms opgegeschreven en dan als amulet gedragen of door iemand uitgesproken.86 De tot het christelijk geloof bekeerden die magie hadden bedreven gingen na hun schuldbelijdenis publiekelijk de zogenaamde 'Efezische boeken' verbranden (vs. 19). In de antieke wereld hadden die boeken,  met allerlei geheime toverkunsten en bezweringsformules, een groot aanzien. De verbranding van het onbekend aantal boeken was dan ook een duidelijke breuk met het heidense verleden. De waarde van de boeken is 50.000 zilverstukken. Volgens Mat. 20, 2 is een zilverstuk of denarie (NBV) een dagloon van een arbeider. 

Vs. 20 is voor de compositie (vs. 11-12; 13-16; 17-19) een vanzelfsprekende  afsluiting: 'Zo zegevierde het woord van de Heer en vond het steeds meer gehoor.'  (NBV). 

2.1.2 Achtergrond van de zweetdoek 


In de Griekse grondtekst staat voor zweetdoeken[10] 'soudaria' (getranscribeerd Grieks, meervoud van soudarion). De term ‘soudaria’ is niet in de Septuagint, de naam van de Griekse vertaling van het Oude Testament, of in een ander voorchristelijk boek terug te vinden.[11] 'Soudarion' is een leenwoord uit het Latijn, waar de term 'sudarium' gebruikt wordt.[12] De doeken worden veelal in verband gebracht met Paulus' beroep als leerbewerker of tentenmaker (Hand. 18:3).[13][14]

Sommige nieuwtestamentici denken dat 'soudaria' lapjes of strookjes stof zijn.91 Op basis van een definitie van de antieke auteur Ammonius92 (vijfde eeuw na Christus), is het volgens de moderne exegeet C.K. Barrett het beste om de 'soudaria' te beschouwen als lapjes of strookjes stof die men op het hoofd draagt om te voorkomen dat het zweet in de ogen loopt.93  

De 'soudaria' vinden we behalve in Handelingen 19, 12 ook in Lucas 19, 20, Johannes 11, 44 en
Johannes 20, 7. In Lucas 19, 20 gaat het om een doek waarin men geld bewaart. De doeken in Johannes 11, 44 en 20, 7 liggen op het gezicht van een gestorven persoon en gaan met de dode mee het graf in. 

2.1.2.1 Paulus in een school


De Australiër R. Strelan heeft in 'Paul's Aprons Again (Acts 19.12)'94 en Strange Acts: studies in the cultural world of the Acts of the Apostles95 studies geschreven over de zweetdoek. Volgens Strelan ziet men meestal over het hoofd in welke context Lucas in Handelingen 19 de 'soudaria' plaatst. In de verzen 8, 9 en 10 is namelijk te lezen dat Paulus, na eerst in de synagoge van Efeze te hebben gesproken, vanwaar hij was vertrokken, omdat men hem belachelijk maakte, in de school of gehoorzaal (scholè) van Tyrannus gesproken heeft .96 
Paulus draagt de 'soudaria' dus niet in een werkplaats, maar in een school of in een gehoorzaal. Strelan gaat er in zijn laatste studies dan ook van uit dat tijdens Paulus' optreden de 'soudaria' deel uitmaken van de uitrusting of kleding van redenaars of rechters. Het voorwerp wordt waarschijnlijk door de redenaars om het hoofd gedragen om het zweet van de streek boven de wenkbrauwen op te vangen.97 


Band van linnen met linten 
In Costume of the Classical World[15] geeft M. Sichel een beschrijving van de Griekse klederdracht in de eerste eeuw na Christus. In die periode droegen zowel mannen als vrouwen een chiton, een kleed dat bestond uit rechte lappen en dat om het lichaam werd gedrapeerd. Er waren twee verschillende chitons: de Dorische- en de Ionische chiton. De Doriërs waren rond 1100 voor Christus het Griekse schiereiland binnengedrongen en introduceerden een eenvoudig kleed van wol. Ioniërs waren rond 1900 voor Christus al Griekenland binnen gedrongen maar waren vanwege de Doriërs grotendeels naar Klein-Azië uitgeweken en droegen een chiton van linnen. Sichels boek toont een illustratie van een drager van een Dorische chiton met een band van linnen rondom zijn hoofd. Ook met aan weerzijden tot over de schouders linten.[16] Romeinse priesters droegen ook een hoofdtooi met linten (infulae). Vermoedelijk om te laten zien dat ze aan goden gewijde personen waren.100 

Zweet
Het hebben van zweet op het voorhoofd wordt in de oudheid als een teken van fysieke activiteit en leven gezien.[17] Men zou er volgens Strelan in die tijd dan ook van uitgaan, dat iemand die redevoeringen geeft meer 'kracht' heeft en aan de kleding afgeeft dan iemand die handenarbeid verricht of iemand die dierenvellen bewerkt.[18] 

De dynamis
Redenaars zouden in hun lichaam over een 'kracht'[19], die via hun stem naar buiten zou komen, beschikken. Om dat te illustreren citeert Strelan Dio Chrysostomus, iemand uit de klassieke oudheid, die over 'goddelijke' mannen met een opvallende welbespraaktheid schrijft. Over zichzelf schrijft Dio Chrysostomus dat hij om te kunnen spreken telkens een vorm van goddelijke 'kracht' ontvangt.104 

Doek bij een redevoering
Naast het gebruik van doeken om het hoofd tijdens een redevoering is het volgens Strelan mogelijk dat doeken in de (klassieke) praktijk ook op twee andere manieren werden gedragen.[20] Ten eerste als een doek die bij de mond werd gehouden. Zoals het ‘soudarion’ die tijdens redevoeringen bij de mond van Nero werd gehouden door iemand die ook op zijn stemgebruik moest letten. Ten tweede als een doek die om de nek werd gedragen. Zoals het gebruik van een 'circum collum sudarium', een doek die Nero rondom zijn nek droeg.[21][22] In de eerste eeuwen van onze jaartelling is het dragen van een doek om de nek ook in de joodse wereld bekend. In zijn boek A History of Jewish Costume schrijft Rubens over een ‘sudar shebetsavaro’, die hij de Griekse benaming ‘soudarion’ geeft.107

De legende van het Mandylion
De geleerde bisschop Eusebius van Caesarea (ca. 263-ca. 339), schrijft in zijn Kerkgeschiedenis over een briefwisseling tussen Jezus en koning Abgar V van Edessa[23], die vermoedelijk van 9 n. Chr. tot 46 n. Chr. regeerde. Het is een verzonnen briefwisseling waar de eerste christenen van de stad Edessa, de huidige Turkse stad Urfa of Şanliurfa[24], dicht bij de Syrische grens, een verhaal omheen hebben geweven. Het verhaal krijgt bekendheid onder de naam 'De leer van Addai.' Volgens het verhaal reisde de zieke koning Abgar V eens ten zuidwesten van Jeruzalem en hoorde hij over Jezus en zijn wonderbaarlijke genezingen. Daarom wilde de zieke koning Jezus graag in Jeruzalem ontmoeten. Maar vermoedelijk omdat de stad in de provinicie Judea ligt en onder het bewind van de Romeinen valt, en de koning niet de vijandschap van de Romeinen op zijn nek wilde halen, passeerde hij de stad.[25] Maar zodra de koning thuis kwam, schreef hij aan Jezus en nodigte hem uit  om naar Edessa te komen. Op deze uitnodiging wordt volgens dit verhaal door Jezus een antwoord gegeven. Het is niet bekend hoe het antwoord zou zijn overgebracht, vermoedelijk door apostel Judas Thaddaeus.[26] In elk geval schrijft Eusebius over een brief112 waarin Jezus aangeeft dat hij niet in de gelegenheid is om Abgar te bezoeken, maar waarin hij belooft na zijn hemelvaart iemand te sturen om hem te genezen.113 Na de hemelvaart stuurt de apostel Thomas114Addai met een linnen doek die op Jezus' gezicht gedrukt is geweest naar Edessa.115 De doek, die later de naam 'Mandylion'116 krijgt, wordt op het gezicht van Abgar gelegd, de koning geneest117 en wordt christen. Hierna wordt de stad Edessa een apostolische basis118 en een bakermat voor de Syrische kerk. In zijn boek The twelve apostles schrijft de auteur Brownrigg dat de inwoners van Efeze kort na de genezing van de koning kopieën van het 'Mandylion' en de brief van Jezus aan Abgar als talisman gebruiken door ze boven hun deuren te bevestigen.119  

2.1.2.2 De Efeziërs en de zieken 


Efeziërs 
Volgens Strelan hebben de Efeziërs waarschijnlijk bewust de 'soudaria' van Paulus gebruikt,  omdat ze bekend waren met magie en zo de kennis hadden dat de kleding van 'goddelijke' personen voor magische rituelen was te gebruiken. Misschien hebben ze ook de 'soudaria' genomen omdat ze de verhalen van de goddelijke genezingen door de apostel Petrus kenden, bijvoorbeeld de tekenen en wonderen in Hand. 5, 12-16, waarbij zieken door de aanraking met de schaduw van Petrus genazen.120 Zij zouden er wellicht van zijn uitgegaan dat het 'soudarion', dat Paulus waarschijnlijk om de nek heeft gedragen, en dat in aanraking met de 'kracht' van zijn stem zou zijn geweest, een goddelijke 'kracht' of 'dynamis' zou bezitten.121 En misschien achtten ze het ook mogelijk dat het zweet van een heilig en 'goddelijk' persoon een vloeistof zou zijn die effectief is te gebruiken tegen boze en demonische machten.[27][28] 
Contact 
Het geloof dat de lichamen van bepaalde personen, of van wat die personen hebben aangeraakt, wonderen kunnen bewerkstelligen, is in de klassieke oudheid een wijdverspreid gegeven.123 Ook in de evangeliën lezen we over genezing door het contact met Jezus' kleding (Mar. 5, 27-34 en 6, 56). In de tekst Handelingen 19 vers 11 en 12 zien we dat het weliswaar om een contact met Paulus gaat, maar om een indirect contact met zijn huid. Omdat Lucas in de tekst bij het gebruik van de 'soudaria' niet over magie124 spreekt, zijn volgens G. Stählin de wonderen een gevolg van 'mana' (Sanskriet)[29], een bovennatuurlijke kracht of substantie die in alle dingen aanwezig zou
zijn. 

Gave van geloof
Het lijkt echter eerder alsof Lucas de werkingen van de bovennatuurlijke krachten ermee in relatie brengt dat Paulus in God gelooft. Hetzelfde geloof dat voor Lucas ook bij de apostel Petrus voor genezingswonderen zou hebben gezorgd. Als de vrouw Tabitha (ook Dorkas geheten) in Joppe komt te overlijden, zijn er volgens het bericht geen gelovigen die haar uit de dood kunnen opwekken. Het is het wonderwerkend geloof dat bij de apostel Petrus aanwezig is in Joppe, dat in staat is om Tabitha weer op te wekken (Hand. 9, 36-43). Een wonderwerkend geloof waarvan de apostel Paulus in 1 Korintiërs 12 vers 9 schrijft dat het een gave van God is. Het is een ander geloof dan het zaligmakende of reddende (Hand. 16, 31). Het zaligmakend geloof is een gave van God aan de zondaar (Ef. 2, 8). De gave van geloof waarover Paulus in 1 Korintiërs 12 vers 9 schrijft, is een groot vertrouwen in God - het evenaart een 'zeker weten' – dat er een wonder zal worden bewerkstelligd tot de eer van God. 

Gaven
Gods geest geeft aan sommige personen ook speciale gaven van genezingen (Grieks: charismata iamatoon). Het gaat dan om een bovennatuurlijke kracht om ziekte te genezen. Het door Paulus in 1 Korintiërs 12 vers 9 gebruikte woord 'genezingen', heeft eerder betrekking op incidentele charismatische genezingen dan op voortdurend werkzame gaven. Het betreft genezingen zonder de gebruikmaking van natuurlijke middelen van welke aard dan ook, en alleen door de gave van het geloof. Het zijn in het denken van Paulus 'krachten' die afkomstig zijn van de Geest en die zijn in zijn theologie indirect te herleiden tot het verzoenend sterven van Christus. Daarmee zijn het zegeningen onder het Nieuwe Verbond. Zegeningen als de vervulling van Gods belofte aan aartsvader Abraham.[30] 

Over de gaven van de Geest is te lezen in de hoofdstukken 1 Korintiërs 12 tot en met 14. Daarin schrijft Paulus over het gebruik van de gaven in de gemeente en over het zich uitstrekken naar de gaven van de Geest, in het bijzonder naar de gaven die de gemeente opbouwen, zoals het profeteren (1 Kor. 14,1, 12), maar ook over werkingen (energemata) en bedieningen (diakoniai). 

Een definitie van de gaven is volgens pinkstertheoloog Ho te vinden in 1 Korintiërs 12, vers 11. De inhoud van het vers wijst zowel op een soeverein handelen van de Heilige Geest, alsook op het initiatief om Zich te manifesteren op de wijze zoals het Hem goed dunkt. Dus op welke wijze de Geest zal gaan werken hebben individuen en kerkelijke gemeentes vooraf geen zeggenschap. Wel hebben ze de verantwoording om te onderscheiden, te berusten en God te gehoorzamen, door te reageren op wat Gods geest door Zijn volk wil doen.127  

Het zou in het geval van de genezingen door de zweetdoeken van Paulus in Handelingen 19 vers 12 echter om 'buitengewoon grote wonderen' (NBV) gaan. De genezingen waren waarschijnlijk een eenmalige gebeurtenis, die bij een Godvijandige cultuur een beginpunt voor de doorbraak van het evangelie zou zorgen. In de confrontatie met de magie in Efeze getuigen de wonderen van Gods almacht. Buitengewone wonderen die niet aan een eigenschap van een persoon zijn gebonden. Theologisch gezien is het van belang dat een bovennatuurlijke kracht, om ziekte te genezen, een geschenk van God is. 

Men dient voorts rekening te houden met het gegeven dat er een kwalitatief onderscheid is tussen de genezingsbediening van Jezus, van zijn apostelen en van de gemeente. Als men een vergelijking maakt tussen de genezingen die door het handelen van Jezus plaatsvonden met die van zijn apostelen, dan is het kenmerkend dat de wonderendaden van de apostelen minder exclusief zijn dan de wonderen van Jezus. Zo komen we de zogenaamde 'natuurwonderen' die tijdens Jezus bediening op aarde plaatsvonden, bijvoorbeeld de spijziging met de broden en de vissen (Matt. 14,15 ev.; Mar. 6, 35 ev. en Matt. 15, 32 ev.; Mar. 8:1 ev.), niet in de bediening van de apostelen tegen. Verder doen de apostelen hun genezende werk minder onafhankelijk dan Jezus. Een voorbeeld daarvan is dat Jezus de demonen op eigen gezag uitdrijft (Mar. 1, 25) en dat de discipelen het op gezag van Jezus' naam doen (Luc. 10, 17 en Hand. 16, 18). Ten laatste zien we dat de apostelen in hun genezende bediening soms een minder effectief resultaat hebben. Zo kunnen ze bijvoorbeeld bij een bezeten jongen geen boze geesten uitdrijven (Mar. 9, 14-
18par).[31]  

Hoe zijn de doeken bij de zieken terecht gekomen?
Het is aannemelijk dat de Efeziërs Paulus' zweetdoeken buiten zijn toestemming om in hun bezit hebben gekregen. Ze waren misschien nog niet zo lang christenen en vermengden hun geloof in de Here Jezus met magisch bijgeloof in de helende kracht van kledij van 'goddelijke' personen. Dat de verhalen over de gebeurtenissen in Edessa, waar de koning zou zijn genezen door de aanraking van een doek, die volgens beweringen op het gezicht van Jezus zou hebben gelegen, de inwoners van Efeze nog voor Paulus' komst zou kunnen hebben bereikt en dat deze verhalen bij het weghalen van de doeken van Paulus een rol zouden kunnen hebben gespeeld, lijkt gezien de tijd die er voor legendevorming nodig is, uitgesloten.[32] 
Als de Efeziërs de doeken van Paulus wel met zijn instemming hebben uitgedeeld, zou dat voor hem in die stad een beginpunt van de doorbraak van het Evangelie zijn geweest. Volgens 1 Korintiërs 16, vers 9 is voor Paulus in Efeze 'een deur geopend'. In Handelingen 19 en 20 is te lezen dat de gemeente van Efeze door zijn onderwijs werd versterkt (Hand. 20, 20, 31) en dat vandaar uit het evangelie zich door bijna geheel 'Azië' verspreidde (Hand. 19, 26).

Zegen
Of Paulus de zweetdoeken voor het uitdelen heeft gezegend is onbekend. Bij het zegenen is er sprake van iets dat van God wordt ontvangen. Het woord 'zegenen' draagt in onze taal ook de betekenissen van 'lofprijzen' en 'begunstigen of het verlenen van een gunst.'[33] Bij zegenen gaat het om de vruchtbaarheid[34]en bij de persoon die de zegen uitspreekt is er altijd de echo van de zegen van de Here God uit Genesis 1 vers 28.[35] Van het zegenen van voorwerpen door een mens is er in het Oude Testament één voorbeeld te vinden. Dat voorbeeld vinden we in 1 Samuël 9, 13. In dat vers lezen we dat Saul te horen krijgt dat Samuël een offer gaat zegenen. 
In het Nieuwe Testament herinnert de auteur van Hebreeën 6, 7 de lezer er aan, dat de zegen de gave van de vruchtbaarheid kan omvatten. Ook lezen we in de evangeliën over de zegeningen van Jezus, bijvoorbeeld over het zegenen van de kinderen (Mar. 10, 16). Het zegenen van voorwerpen als zodanig komen we in het Nieuwe Testament niet tegen. 
Wel is er later een historische ontwikkeling waarbij het zegenen wordt verbonden met de riten van doop en avondmaal. Zo wordt de zegen een middel tot reiniging en wijding. Dat heeft tot gevolg dat de nadruk op het gebed en niet op de lofprijzing komt te liggen. Wel is in de gebeden na de instellingswoorden bij de viering van het avondmaal naast de gedachtenis aan Christus (anamnese) de lofprijzing (doxologie) aanwezig.[36] 

Consecratie
Een andere historische ontwikkeling is het gebruik van de zegen als middel tot consecratie (de heiliging) van voorwerpen waarbij een lofprijzing wordt uitgesproken. De voorwerpen zouden na de consecratie een 'kracht' bemiddelen. Zo is er in de Traditio Apostolica, die wordt toegeschreven aan Hippolytus van Rome (ca. 170 – ca. 235), sprake van het uitspreken van een exorcisme over een brood waarvan later catechumenen delen nuttigen. Ook zijn er andere teksten die ons vertellen dat er door gebed een genezende en exorcistische kracht wordt verleend aan bijvoorbeeld olie en water.[37] Als gevolg van een groeiend besef van een wederzijdse beïnvloeding tussen de natuur en de mens hebben deze praktijken aan het eind van de tiende eeuw een enorme groei doorgemaakt. Volgens Grethlein is er binnen het gebed meer de nadruk komen te liggen op het zegenen van voorwerpen, die zo gewijd worden. De toename van de aandacht voor magie zou daarin een grote rol hebben gespeeld.[38] Waarbij Grethlein het woord 'magie' gebruikt om duidelijk te maken dat het de betrokkene alleen om de handelingen of uitspraken gaat, zonder zich in de theologische achtergronden te verdiepen. Volgens Ch. BarbenMüller is het daarom beter om in dergelijke gevallen van automatisme en manipulatie te spreken, omdat een grens wordt overschreden, als het uitvoeren van handelingen en de effecten daarvan voorop komen te staan.136 

De hervormer M. Luther
In de slotkerk van het Wittenberg, de slotkerk met de deur waaraan de hervormer M. Luther op 31 oktober 1517 mogelijk zijn 95 stellingen spijkerde, werden bij bepaalde kerkelijke feestdagen aan het volk relikwieën, overblijfselen van lichamen van een heilige, of voorwerpen die met een heilige in aanraking zijn geweest, getoond. Luther verzet zich tegen deze verering van voorwerpen. Volgens hem zijn het verzamelen van relikwieën en de beeldendienst in conflict met het eerste en het tweede gebod. Door zijn toedoen komt het zegenen van voorwerpen na de Reformatie in de protestantse kerken nauwelijks meer voor. Alleen de inzegening of inwijding van een kerkgebouw heeft zijn goedkeuring gekregen. 

Criterium voor het zegenen van voorwerpen
Toch is Grethlein van mening dat in 1 Timoteüs 4, 4, waarin is te lezen 'Alles wat God geschapen heeft is goed. Niets hoeft te worden verworpen als het onder dank wordt aangenomen' (NBV), er voor het zegenen van voorwerpen een criterium is te vinden. Op basis van deze tekst is hij zelfs een voorzichtige voorstander van de uitbreiding van zegeningen van voorwerpen. Hij wijst daarbij wel op twee aspecten waarbij men in de huidige tijd rekening dient te houden: ten eerste op de ecologische crisis[39] en ten tweede dat daarop een zegening een bijdrage levert, dat de natuur niet aan de natuurwetenschappers en de mens aan de medici worden overgelaten.[40]

2.2 Het gebruik van de zweetdoek in de huidige genezingsbediening   

     in Noord-Amerika en Noordwest-Europa

In de protestantse gemeenten en groeperingen gebruikt men tijdens de genezingsdienst soms een zweetdoek ter grootte van een zakdoek. Deze zakdoeken zijn hoofdzakelijk van linnen gemaakt. Sommige zijn wit, andere hebben een kleur. In een enkel geval zijn de initialen van de evangelist erop geborduurd.[41] 

2.2.1 Het gebruik van de zweetdoek in de geschiedenis van de kerk 


De eerste liturgische referentie naar een zweetdoek, die dan de naam 'mappa' draagt, is afkomstig uit de vierde eeuw na Christus. Het is dan een linnen zakdoekje dat door paus Sylvester (?-335) was verordend. De diakenen dienden vanaf die tijd met de mappa hun linkerhand te bedekken.[42]  Daarvoor kreeg de 'mappa' kreeg ook wel de naam 'manipulus' (manipulus is Latijn voor handdoekje), 'mantila' en 'soudarion'.[43] Zij was ook bekend als een formeel insigne van hoogwaardigheidsbekleders van het Romeinse rijk en een hoogstaande vorm van decoratie voor consuls en praetors, waarmee zij aan de strijdwagens in het circus het teken gaven om de strijd te beginnen. Werd de 'mappa' niet gebruikt, dan wikkelden zij haar om de linkeronderarm.142 

Manipel
Vanaf de zesde eeuw, of misschien eerder, is de naam 'mappa' in 'manipel' gewijzigd en vanaf die tijd maakt zij officieel deel uit van de liturgische gewaden.143 De 'manipel' is dan een lange smalle band met versieringen en aan de uiteinden een verbreding. Ze is vervaardigd uit dezelfde stof als de stola en het kazuifel144en wordt op over de linker onderarm op de mouwen van de albe gedragen. Hij wordt nu vrijwel niet meer gebruikt, maar is tot aan het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965), bekend geworden als de kerkvergadering in het teken van de modernisering van de Rooms-Katholieke Kerk, door priesters en ook diakenen en subdiakenen, in de mis gedragen. 
Volgens de rooms-katholieke theologie is de manipel in gebruik om de priester eraan te doen denken dat hij een arbeider in de wijngaard van de Heer is (Luc. 10, 2) en dat hij zowel de inspanningen en de verplichtingen van het volgen van zijn Heer, als ook het besef van het beloofde loon, in zijn hart met zich mee dient te dragen.145 
Als de priester de manipel aanbrengt bidt hij: 'Moge ik, o Heer, waardig zijn de manipel van tranen en pijn te dragen opdat ik met jubel het loon van de arbeid mag ontvangen.' Een gebed dat is afgeleid uit Psalm 126, 5 en 6: 'Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich. Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich, dragend de volle schoven.'146 Zo ziet men binnen de Rooms-Katholieke Kerk de manipel als een symbool dat de

priester dagelijks draagt om de druk van het leven naar het altaar te brengen om daar van God troost, kracht en standvastigheid af te smeken. 
Binnen de huidige Rooms-Katholieke Kerk is het gebruik van een zweetdoek bij processen van genezing onbekend. Volgens de rooms-katholieke ex-priester F. MacNutt (1925-), leider van de Christian Healing Ministry te Jacksonville in Florida, staat het zegenen van voorwerpen, zoals de zweetdoek, wel in het Rituale Romanum147, een katholiek boek met ondermeer teksten over de liturgie van sacramentele vieringen met en voor zieken en niet-sacramentele zegeningen. Het staat onder 'Zegening van wat mensen ten dienste staat.' Volgens het Rituale kunnen priesters dagelijkse voorwerpen zegenen en ze aan personen mee naar huis geven om ze te gebruiken bij het bidden voor elkaar.148 

J. Smith
De eerste bron over het gebruik van een zweetdoek bij processen van genezing buiten Handelingen 19, 12, is afkomstig uit de negentiende eeuw en is een getuigenis over een genezing door een zweetdoek van J. Smith (1805-1844). Smith is de stichter van de religieuze beweging van de mormonen en heeft als premillennialist, zeker in de constituerende fase van de kerk, een visie voor een gegronde theocratie: Gods volk in een heilig land, waar voorafgaand aan de wederkomst van Christus, de heiligen van de wereld  worden verzameld.
Het getuigenis van genezing door een zweetdoek is uit het jaar 1839, in een periode waarin de mormonen worden vervolgd, maar ook een periode waarin onder hen veel genezingen plaatsvinden. Smith wordt door de ongelovige vader van een tweeling van vijf maanden gevraagd om hen voor genezing een bezoek te brengen. Smith is verhinderd en zegt tegen één van zijn evangelisten dat hij moet gaan. Voor het bezoek geeft Smith de evangelist zijn zweetdoek mee. De evangelist gebruikt de meegegeven zweetdoek en zoals de mormonen in hun geschriften beweren worden beide kinderen genezen.149 

Ch. F. Parham
De eerste protestantse predikant over wie is te lezen dat hij zweetdoeken uitdeelt en ze naar zieken opstuurt is Ch. F. Parham (1873-1929).[44] Aan het begin van de twintigste eeuw is Parham predikant bij de methodisten. Grotendeels door stimuleringen vanuit de zogenaamde heiligingsbeweging wordt hij daarna een onafhankelijk evangelist. In 1897 ontvangt hij door een gebed genezing van een hartkwaal en nadien wijst hij elke medische hulp van de hand.[45] In 1900 opent Parham een bijbelschool in Topeka (Kansas). Het is de bijbelschool waar W. J. Seymour, de leider van de opwekking in de Azusastreet Mission in Los Angeles in 1906, eind 1900 zijn onderwijs krijgt over de geestesdoop, dat uitloopt tot het teken van het spreken in tongen. Parham wordt veelal als één van de eerste leiders van de pinksterbeweging beschouwd.

S. Wigglesworth 
S. Wigglesworth (1859 - 1947) is een Brit die men ook wel eens de naam 'the apostle of faith' geeft. Hij wordt als één van de pioniers van de pinksterbeweging gezien. Aan het begin van zijn leven is hij een analfabeet en een ongeschoold loodgieter. Hij trouwt met M. J. P. Featherstone, een predikante van het Leger des Heils, de vrouw die hem leert lezen. Zijn theologische kennis doet hij bij de Plymouth Brethren (Vergadering van Gelovigen) op. Voor een tijd is hij predikant van de Kerk van England. Daarna is hij een onafhankelijk predikant. 
Smith gelooft er sterk in dat er door gebed volledige lichamelijke genezing kan plaatsvinden. In samenkomsten bidt hij dan ook voor de zieken en aan sommige bezoekers geeft hij zweetdoeken mee. Ook stuurt hij in reactie op brieven met het verzoek, om voor genezing van één of meerdere ziektes te bidden, zweetdoeken op. De door Smith Wigglesworth gezegende zweetdoeken legt men niet alleen op de lichamen van de zieke, maar ook in kussenslopen en ze brengen, naar men beweert, naast genezingen ook herstel van relaties, een breuk met verslavingen en nieuwe toewijdingen tot God.[46] 

 
L. Nankivell
L. Nankivell (1896-1972) krijgt aan het begin van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten als gebedsgenezeres veel bekendheid. Eerst is ze bij 'The World’s Faith Missionary Association' aangesloten. In 1940 wordt ze lid van de 'Assemblies of God', de grootste pinksterdenominatie ter wereld, die later de relatie met haar verbreekt.[47] Tijdens haar bediening zou Nankivell, zoals men beweert, op basis van Handelingen 19 vers 12, bij het bidden voor genezing


[1] C.J. den Heijer, Paulus: man van twee werelden (Zoetermeer: Meinema, 1998), p. 142.
[2] C.K. Barrett, A Critical and Exegetical Commentary on the Acts of the Apostles, Volume 2, Introduction and Commentary on Acts XV-XXVIII (Edinburgh: T & T Clark, 1994), p. 906.
[3] O. Bauernfeind, Kommentar und Studien zur Apostelgeschichte ( ed. V. Metelmann,WUNT 22; Tübingen: Mohr Siebeck, 1980), p. 230, in: Barrett, 1994, p. 907.
[4] Joodse exorcisten stonden in de antieke oudheid met hun magie hoog in aanzien. D. Betz, 'Introduction to the Greek Magical Papiri', in: The Greek Magical Papyri in Translation (Chicago: University of Chicago, 1986), p. xlv, in: B. Witherington, III, The Acts of the Apostles: A Socio-Rhetorical Commentary (Grand Rapids, Mich/ Carlisle: William B. Eerdmans/The Paternoster Press, 1998), p. 580.      
[5] In het Evangelie staan er verschillende voorbeelden van dat demonen door de naam van Jezus Christus zijn te overwinnen (Luc. 4, 31-37, 41; 6, 18; 8, 20), men kan echter niet ongeoorloofd over Zijn naam beschikken. 
[6] (Grieks: kyrios  = gebieder, heer), in de bijbel een titel voor God en voor Jezus Christus. 
[7] Vgl. G. Lüdemann, Early Christianity according to the Traditions in Acts: A Commentary (Minneapolis: Fortress Press, 1989), p. 214, in: Witherington, III, 1998, p. 576.
[8] Het in de Griekse grondtekst gebruikte pra,xeij wordt in de NBV vertaald met 'praktijken.' In relatie tot het volgende vers, vers 19, kunnen we hier ook van 'slechte' praktijken of toverpraktijken spreken ( vgl. Luc. 23, 51; Rom. 8, 13 en Col. 3, 9). Griechisch-Deutsch Lexikon (2002), in: Online Bible, CD-rom (Dordrecht:Importantia Publishing, 2007).  86
 C.E. Arnold, Ephesians: Power and magic. The Concept of Power in Ephesians in the Light of its Historical
Setting, Society for New Testament Studies Monograph 63 (Cambridge: Cambridge University Press, 1989), p. 15 en
[9] . en C.C. McCown, 'The Ephesia Gramatta in popular Belief', TAPA 54, p. 128-140, in: P. Trebilco, The Early Christians in Ephesus from Paul to Ignatius, Wissenschaftliche Untersuchungen zum Neuen Testament (Tübingen: Mohr Siebeck, 2004), p. 150.
[10] Behalve over de zweetdoek lezen we in Handelingen 19 vers 12 ook over de semicinctia (Latijn), simikinthia (getranscribeerd Grieks), de werkkleren (NBV). Volgens een studie van T.J. Leary is het semicintium niet zoals men meestal denkt een werkschort maar een soort riem. Een smalle riem die tijdens Paulus' verblijf in Efeze niet alleen door leerbewerkers of tentenmakers maar door iedereen wordt gedragen. Leary spreekt ook over de mogelijkheid van een 'sjerp.' Vgl. T. Leary, 'The 'Aprons' of St. Paul – Acts 19:12'', in: Journal of Theological Studies, 41 (Oxford University Press, 1990), p. 527 -529.
[11] P. Trebilco, 2004, p. 146.
[12]  M. M. Culy en M. C. Parsons, The Acts of the Apostles: A Handbook on the Greek Text, 1 ed. (Waco, Tex: Baylor University Press, 2003), p. 364 en 365.
[13] Vermoedelijk oefende Paulus zijn beroep als tentenmaker (Hand. 18, 3) in drie verschillende steden  uit. Deze steden waren Thessalonica (1 Tess. 2, 9), Korinthe (Hand. 18, 3 en 1 Kor. 9, 12) en Efeze (Hand. 20, 33 en 34). Er zijn verschillende hypotheses waarom Paulus zelf in zijn onderhoud voorzag. Eén van de meest  aannemelijke is dat hij niet wilde worden gezien als een reizende filosoof, die na zijn verkondigingen geld  ontving of gastvrijheid kreeg en dan weer verdween (2 Kor. 2, 17). Vgl. B. Witherington, III, 1998, p. 
 Vgl. F. F., Bruce, The Book of the Acts, Revised edition., New International Commentary on the New  Testament (Grand Rapids, Mich.: William B. Eerdmans, 1989), p. 367.
[15] M. Sichel, Costume of the classical world (Londen: Batsford Academic and educational Ltd., 1980).
[16] Idem, p. 27-35. 100
 Vgl. L. La Fallette, 'The costume of the Roman bride', in: J.L. Sebesta en L. Bontante (red.),  The world of Roman costume (Madison, WI: The University of Wisconsin Press, 2001), p. 56. 
[17] Quintilian, Institutio Oratoria 6.3.60, in: Strelan, 2003, p. 155.
[18] Strelan, 2004, p. 196.
[19] Idem, p. 197. 104
 Dio Chrysostomus, Discourse 32, 21.21 (vert. J.W. Cohoon en H. Lamar Crosby; Londen : Heinemann, LCL, 1932-1951), in: Ibid.
[20] Strelan, 2004, p. 196. 
[21] Suetonius, Nero 25.3 en 51, in: Ibid.
[22] A. Rubens, A history of Jewish costume (Londen: Weidenfeld & Nicolson, 1973), p. 17. 
[23] Hoewel Eusebius aangeeft dat hij de overlevering uit het archief van de stad Edessa heeft, is het aannemelijker dat hij de brief van één van de christenen uit deze stad heeft ontvangen. A.F.J. Klijn, 1962, p. 34 en 35. 
[24] Edessa is volgens veel bronnen één van de beginpunten van de Zijderoute. 
[25] G. Phillips (red.), The doctrine of Addai (Londen: Trübner & Co, 1876), p.3, in: Klijn, 1962, p. 19.
[26] R. Brownrigg, The twelve apostles (Londen: Weidenfeld en Nicolson, 1974), p. 171.
[27] Idem, p. 197. 123
 Vgl. Plutarch, Pyrr 3.4-5 (De rechtervoet van Pyrrhus bezat een genezende kracht) en Artapanus in Eusebius, PE
[28] .27 (de kracht van het lichaam van Mozes, waarmee men wonderen zou kunnen bewerkstelligen), in: P., Trebilco, 2004, p. 146.  124
 Het karakteristieke van magie is het door verschillende soorten van rituelen en door het uitspreken van spreuken verwezenlijken van een manipulatie bij een god of een bovennatuurlijke kracht. B. Witherington, III, 1998, p. 577.
C.E. Arnold schrijft:  'The overriding characteristic of the practice of magic throughout the Hellenistic world was the cognizance of a spirit world exercising influence over virtually every aspect of life. The goal of the magician was to discern the helpful spirits from the harmful ones and learn the distinct operations and the relative strengths and authority of the spirits. Trough this knowledge, means could be constructed (with spoken or written formulas, amulets, etc) for the manipulation of the spirits in the interest of the individual person.' C.E. Arnold, Ephesians: Power and Magic, The Concept of Power in Ephesians in Light of Its Historical Setting, Society for New Testament Studies Monograph 63 (Cambridge: Cambridge University Press, 1989), p. 18, in: B. Witherington, III, p. 577.    
[29] G. Stählin, Die Apostelgeschichte übersetzt und erklärt, Das Neue Testament Deutsch, 5 (Göttingen:
Vandenhoeck & Ruprecht, 1962), p. 255, hier geciteerd volgens  Barrett, 1994, p. 907.
[30] In de brief aan de Galaten is te lezen dat Christus met zijn verzoenend kruisoffer de gemeente van de (Mozaïsche) wet heeft vrijgekocht (Gal. 3, 13). Daarmee heeft Christus de zegen van het abrahamitische verbond ook tot de heidenvolkeren gebracht (Gal. 3, 14a; vgl. Gen. 12, 3). De zegen van het verbond met Abraham, maar impliciet ook van het verbond met Mozes/Israël (vgl. Gal. 3, 10,13), dat zijn hoogtepunt bereikt in de zegen van het nieuwe verbond: de gave van de Geest (Gal. 3, 14b). Vgl. Frettlöh 317vv, 325v, 335vv. in: De Vries, 2006, p. 380. 127 Ho, 2008, p. 17.
[31] De Vries, 2007, p. 122 en 123. 
[32] De bron van 'De leer van Addai' is onbetrouwbaar en het verhaal van de doek van Jezus en de genezing van koning Abgar roept dan ook veel vragen op. Wel is er zekerheid over dat de apostels Thomas en Paulus tijdgenoten zijn. Ook dat er in de eerste eeuw tussen de steden Edessa en Efeze een Oost-West handelsroute was waar karavaans gebruik van maakten. 
[33] Van den Kamp, 2001, p. 316.
[34] C. Westermann, Genesis (BKAT I/1) I en II (Neukirchen – Vluyn, 1974), p. 192-194.  in: Idem. 
[35] Van den Kamp, 2001, p. 316.
[36] Grethlein, 1995, p. 436 en 437. in: Idem, p. 322.
[37] D.N. Power, 'Het zegenen van voorwerpen', in: Concilium 21(1985) nr. 2: Macht van de zegen. Zegening van de macht. De dubbelzinnige relatie tussen religieuze zegening en macht, 1-111, in: Ibid.      
[38] Power, 1985, p. 34 en 35 en Grethlein, 1995, 439-440. in: Van den Kamp, 2001, p. 322 en 323.  136 Idem, p. 323.
[39] De ecologische crisis heeft betrekking op zowel de verhoudingen van het menselijke huishouden met de nietmenselijke natuur alsook de interne verhoudingen tussen de mensen en de menselijke collectiviteiten onderling. De ecologische crisis behelst een milieu-crisis, een sociaal-culturele crisis en een mentale crisis. 
[40] Grethlein, 1995, p. 960-962 en 964. in: Van den Kamp, 2001, p. 334 en 335.
[41] Apostel Don Stewart, Green prosperity prayer handkerchief, Internet, 16 december 2007.  (http://www.donstewartassociation.com/Home/tabid/3851/Default.aspx), zie bijlage [7].
[42] H. Norris, Church vestments: Their origin & development (Mineola, N.Y.: Dover Publications, 2002), p. 92. Oorspronkelijke uitgave: Church vestments: Their origin & development (New York, Dutton, 1950). 
[43] G. D. J. Schotel, Bijdrage tot de geschiedenis der kerkelijke en wereldlijke kleeding ('s-Gravenhage: P.H. Noordendorp, 1854-1856), p. 78.
[44] J. R. Goff, Fields white unto harvest: Charles F. Parham and the missionary origins of pentecostalism (Fayetteville: University of Arkansas Press, 1988), p. 104.
[45] C. van der Laan, De Spade Regen: Geboorte en groei van de Pinksterbeweging in Nederland 1907-1930 (Kampen: Kok, 1989), p. 42.
[46] S.H. Frodsham, Smith Wigglesworth: Apostel van het geloof (Hoornaar: Gideon, 1973), 71, 72 en 100.
[47] Healing and Revival, Evangelism, Repentance, and Healing, Internet, 7 maart 2008. (http://healingandrevival.com/BioLNankivell.htm), zie bijlage [9], p.1, r. 2 en 5.